Juichen
Hulpwerkwoord
hebben
onovergankelijk werkwoord (geen lijdend voorwerp)
Dit werkwoord drukt vaak enthousiasme, vreugde of steun uit, vooral in de context van sport of vieringen.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u, wij / we, jullie
hij, zij / ze, het
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik juich altijd als mijn favoriete team wint.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Zij heeft de hele wedstrijd gejuicht.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Juich niet te vroeg, de wedstrijd is nog niet voorbij!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Het is fijn dat iedereen zo juicht voor de winnaar.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.