Kapotmaken
Hulpwerkwoord
hebben
Scheidbaar werkwoord, regelmatig (met uitzondering van de scheiding in sommige tijden).
Het werkwoord 'kapotmaken' betekent iets beschadigen of onbruikbaar maken, vaak door onvoorzichtigheid of opzet.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Gebiedende wijs
Voorbeelden
Ik maak mijn huiswerk niet kapot, ik doe het gewoon niet.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Heb je de televisie kapotgemaakt?
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Als je zo doorgaat, maak je alles kapot!
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Zij maakte haar kansen op promotie kapot door te laat te komen.
verleden tijd, aantonende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.