NEDERLANDS
🇳🇱
  • Kleed(het)
    Zelfstandig naamwoordtapijt stuk weefsel

Hulpwerkwoord

hebben

transitief, reflexief en intransitief; neemt 'hebben' als hulpwerkwoord

Heel vaak reflexief: 'zich kleden'. In dagelijks gebruik hoor je meestal 'aankleden' (scheidbaar werkwoord).

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

  • zij / ze

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

  • zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Gebiedende wijs

Aanvoegende wijs

Voorbeelden

  • De verpleegster kleedt de patiënt voorzichtig aan.

    tegenwoordig, indicatief

  • Ik kleedde me snel om voor het sporten.

    verleden, indicatief

  • Ze heeft zich mooi gekleed voor het feest.

    voltooid tegenwoordig, indicatief

Blijf leren

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.