Leven
Hulpwerkwoord
hebben
onovergankelijk werkwoord
Het werkwoord 'leven' kan zowel letterlijk (biologisch bestaan) als figuurlijk (een bepaalde levensstijl hebben) gebruikt worden.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik leef al tien jaar in Nederland.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Leefde je vroeger in een dorp?
verleden tijd, aantonende wijs
Hij heeft een rustig leven geleefd.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Leef gezond en blijf actief!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Leve de jarige!
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.