Mager
Attributieve vormen
Als je 'mager' vóór een zelfstandig naamwoord gebruikt, zeg je meestal 'magere'. Bijvoorbeeld: 'de magere jongen' of 'een magere hond'. Als het zelfstandig naamwoord geen lidwoord heeft, gebruik je soms 'mager', zoals in 'mager vlees'.
- Met bepaald lidwoord
- Met onbepaald lidwoord
- Zonder lidwoord
Predicatieve vorm
Na werkwoorden zoals 'zijn', 'worden' of 'blijven' gebruik je altijd 'mager'. Bijvoorbeeld: 'De patiënt is mager' of 'Het kind wordt mager'.
Vergrotende trap
Om te zeggen dat iets of iemand magerder is dan iets of iemand anders, gebruik je 'magerder'. Bijvoorbeeld: 'Zij is magerder dan haar zus'. Je kunt ook 'magerder dan' gebruiken om een vergelijking te maken.
- Grondvorm
- Met "dan"
Overtreffende trap
Om te zeggen dat iets of iemand het magerst is van allemaal, gebruik je 'magerst' na het werkwoord (bijv. 'is het magerst') of 'magerste' vóór een zelfstandig naamwoord (bijv. 'de magerste persoon').
- Attributief
- Predicatief
Belangrijke opmerkingen
- usage:'Mager' wordt vaak gebruikt om te praten over mensen of dieren die weinig vet hebben, of over voedsel met weinig vet.
- spelling:In de vergrotende trap eindigt 'mager' op '-der' (magerder), en in de overtreffende trap op '-st' (magerst).
Blijf leren
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.