Manicuren
Hulpwerkwoord
hebben
zwak werkwoord (regelmatig)
Het werkwoord 'manicuren' wordt voornamelijk gebruikt in de context van nagelverzorging en schoonheidsbehandelingen.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik ga mijn nagels laten manicuren bij de nieuwe salon in de stad.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Heb je je nagels al gemanicuurd?
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Manicuur jij je nagels zelf of doe je dat liever door een professional?
tegenwoordige tijd, vragende wijs
Als ik tijd had, zou ik mijn nagels elke dag manicuren.
onvoltooid verleden toekomende tijd, aantonende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.