Hulpwerkwoord hebben
werkwoord
Vertellen wat er is gebeurd of wat iemand anders heeft gezegd.
Infinitief Ik wil graag het verhaal navertellen.
Tegenwoordig deelwoord Navertellend wat hij had gehoord, begreep iedereen het verhaal beter.
De navertellende studenten maakten aantekeningen.
Tegenwoordige tijd ik
Ik navertel het verhaal voor de klas.
jij / je
Je navertelt altijd zo leuk.
hij
Hij navertelt de film heel goed.
wij / we
Wij navertellen het boek in onze eigen woorden.
jullie
Jullie navertellen het verhaal heel spannend.
zij / ze
Zij navertellen hun avonturen graag.
Verleden tijd ik
Ik navertelde het verhaal gisteren.
jij / je
Jij navertelde het verhaal heel duidelijk.
hij
Hij navertelde de details van het voorval.
wij / we
Wij navertelden het verhaal aan elkaar.
jullie
Jullie navertelden het verhaal in de klas.
zij / ze
Zij navertelden het boek tijdens de vergadering.
Voltooid deelwoord Het verhaal is al vaak naverteld.
Aanvoegende wijs Laat me jou vertellen, als je maar navertelle.
Het is belangrijk dat je vertelle na zo goed je kunt.
Gebiedende wijs Vertel na wat je hebt gehoord.
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.