NEDERLANDS
🇳🇱

Hulpwerkwoord

zijn

onovergankelijk werkwoord

Het werkwoord 'opdagen' betekent verschijnen of arriveren, vaak op een afgesproken tijd of plaats.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik

  • jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

Voorbeelden

  • Ik daag altijd op tijd op voor mijn werk.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Zij daagde gisteren niet op voor de afspraak.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Het is belangrijk dat je op tijd opdagt.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

  • Daag morgen alsjeblieft op tijd op!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • Hij is nog nooit te laat opgedaagd.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.