Opdragen
Hulpwerkwoord
hebben
overgankelijk werkwoord (heeft een lijdend voorwerp nodig)
Het werkwoord 'opdragen' wordt vaak gebruikt in formele of gezagscontexten, zoals instructies geven, taken toewijzen of verantwoordelijkheden delegeren.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
ik
jij / je
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
ik, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
Voorbeelden
Ik draag je op om deze brief te posten.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij droeg de kinderen op om hun kamer op te ruimen.
verleden tijd, aantonende wijs
Draag hem op om onmiddellijk te stoppen!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
De manager heeft de taak aan de medewerker opgedragen.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Het is belangrijk dat je hem opdracht om voorzichtig te zijn.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.