Attributieve vormen
Als je zegt 'de opgeluchte persoon' of 'een opgeluchte vrouw', gebruik je 'opgeluchte' vóór het zelfstandig naamwoord.
- Met bepaald lidwoord
- de opgeluchte persoon
- "De opgeluchte persoon lacht."
- Met onbepaald lidwoord
- een opgeluchte persoon
- "Een opgeluchte persoon zegt dat alles goed is."
- Zonder lidwoord
- opgeluchte
- "Ik zie opgeluchte mensen om me heen."
Predicatieve vorm
Na 'zijn' of 'worden' gebruik je altijd 'opgelucht': De baby is opgelucht.
Vergrotende trap
Als je 'meer opgelucht' zegt, dan vergelijk je twee mensen. 'Hij is meer opgelucht dan zij.'
- Grondvorm
- opgeluchter
- "Hij is opgeluchter dan gisteren."
- Met "dan"
- opgeluchter dan
- "Zij voelt zich opgeluchter dan haar vriendin."
Overtreffende trap
Bij 'de meest opgeluchte' vergelijk je drie of meer mensen. 'Zij is de meest opgeluchte van de groep.'
- Attributief
- de opgeluchteste
- "Hij is de opgeluchteste van ons allemaal."
- Predicatief
- opgeluchtst
- "Zij voelt zich opgeluchtst na de vergadering."
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.