Attributieve vormen
Als je zegt 'de oude man' of 'een oude fiets', gebruik je 'oude' vóór het zelfstandig naamwoord.
- Met bepaald lidwoord
- de oude
- "De oude man zit op de bank."
- Met onbepaald lidwoord
- een oude
- "Ik heb een oude fiets."
- Zonder lidwoord
- oud
- "Het boek is oud."
Predicatieve vorm
Na 'zijn' of 'worden' gebruik je altijd 'oud': De man is oud.
Vergrotende trap
Bij 'ouder' vergelijk je met iets of iemand anders: Mijn auto is ouder dan jouw auto.
- Grondvorm
- ouder
- "Mijn broer is ouder dan ik."
- Met "dan"
- oudere
- "De oudere man reist veel."
Overtreffende trap
Als je zegt 'de oudste', heb je het over het hoogste niveau van oud zijn, bijvoorbeeld: Dit is de oudste school.
- Attributief
- oudste
- "Dit is de oudste kerk van de stad."
- Predicatief
- oudst
- "Dit huis is de oudst in de straat."
Belangrijke opmerkingen
- usage:'Oud' kan ook in andere contexten gebruikt worden, zoals in gezegden.
- irregular:De vormen van 'oud' zijn onregelmatig, vooral in de vergrotende en overtreffende trap.
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.