Overkomen
Hulpwerkwoord
zijn (voor 'overkomen' in de betekenis van 'gebeuren'), hebben (voor 'overkomen' in de betekenis van 'indruk maken')
onregelmatig werkwoord, scheidbaar werkwoord (in de betekenis van 'indruk maken')
'Overkomen' kan zowel 'gebeuren' als 'indruk maken' betekenen. In de betekenis van 'gebeuren' is het onscheidbaar, terwijl het in de betekenis van 'indruk maken' scheidbaar is.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
ik, jij / je, hij, zij / ze
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
ik, jij / je, hij, zij / ze, het
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Het overkomt me vaak dat ik mijn telefoon vergeet.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Zij kwam gisteren heel zelfverzekerd over tijdens haar presentatie.
verleden tijd, aantonende wijs
Het is mij nog nooit overkomen dat ik een vliegtuig miste.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Kom over alsof je de baas bent!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.