Parkeren
Hulpwerkwoord
hebben
regelmatig werkwoord
Het werkwoord 'parkeren' wordt voornamelijk gebruikt in de context van voertuigen (auto's, fietsen, scooters, etc.) die op een bepaalde plek worden neergezet.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Kun je hier je auto parkeren?
tegenwoordige tijd, vragend
Hij heeft zijn fiets verkeerd geparkeerd.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonend
Parkeer je auto alstublieft op de juiste plek.
tegenwoordige tijd, gebiedend
Zij parkeerde haar scooter altijd voor het café.
verleden tijd, aantonend
De parkerende auto's veroorzaken een file.
tegenwoordige tijd, aantonend
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.