Plussen
Hulpwerkwoord
hebben
regelmatig werkwoord
Het werkwoord 'plussen' wordt voornamelijk gebruikt in de context van rekenen of optellen. Het is minder formeel dan 'optellen' en wordt vaak in informele of educatieve settings gebruikt.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
Voorbeelden
Kun je deze getallen voor mij plussen?
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij plust altijd de scores van de spelers.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Wij hebben de bedragen al geplust.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Plus deze getallen snel!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.