Rammelen
Hulpwerkwoord
hebben
zwak werkwoord (regelmatig)
'Rammelen' betekent meestal dat iets of iemand hevig beweegt of schudt, vaak met een geluid. Het kan ook figuurlijk gebruikt worden, bijvoorbeeld als iemand honger heeft ('ik rammel van de honger').
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
De oude auto rammelt als hij over de keien rijdt.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij heeft de hele nacht aan de tralies gerammeld.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Rammel niet zo aan die kast, hij gaat nog kapot!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Als hij de sleutel niet vindt, rammele hij maar aan de deur.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.