Rijpers
rijp
Bijvoeglijk naamwoordklaar om te plukken
- klaar om geoogst of gegeten te worden, van fruit of groentenDe bananen zijn rijp en zoet.
- volwassen en verstandig, van mensen of ideeënMijn zus is erg rijp voor haar leeftijd.
- bedekt met een dunne laag ijs, vooral in de ochtendDe auto is bedekt met rijp.
derijp
Zelfstandig naamwoorddunne laag ijs
- dunne laag ijs die 's ochtends op gras of planten ligtDe rijp ligt mooi op het gras.
rijpen
Werkwoordvolgroeid worden
- van groen naar eetbaar of volwassen worden door natuurlijke groeiDe bananen rijpen snel in deze warme kamer.
- geleidelijk ontwikkelen tot een volwassen of afgerond stadiumDe appel rijpt aan de boom.
- iets of iemand rijp maken, vaak door bewerking of invloedDe appels rijpen aan de boom.