Infinitief Ik wil rijten leren. Het is een belangrijk werkwoord in het Nederlands.
Tegenwoordig deelwoord De student is rijtend bezig met zijn werk.
Het rijtende boekje trekt veel aandacht.
Tegenwoordige tijd ik
Ik rijt de bladeren van de plant.
jij / je, u
Jij rijt de stof met een scherpe schaar.
hij, zij / ze, het
Hij rijt het papier voorzichtig.
wij / we, jullie
Wij rijten het hout in stukken.
Verleden tijd ik
Ik reet de koffer open.
jij / je, u
Jij reet de dozen uit elkaar.
hij, zij / ze, het
Hij reet het oude papier in stukken.
wij / we, jullie
Wij reten de wedstrijd om ons te kwalificeren.
Voltooid deelwoord De stof is gereten voor het project.
Aanvoegende wijs Ik hoop dat hij rijte wat hij beloofd heeft.
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.