Sausen
Hulpwerkwoord
hebben
zwak werkwoord
Het werkwoord 'sausen' wordt vaak gebruikt in de context van koken en het toevoegen van saus of kruiden aan gerechten.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik saus de kip altijd met een kruidenmengsel.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Gisteren sauste hij de groenten met te veel zout.
verleden tijd, aantonende wijs
Als je de saus sause met geduld, wordt het lekkerder.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Saus de aardappelen voordat je ze serveert!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.