Schaar
deschaar
Zelfstandig naamwoordgereedschap om te knippen
- grote groep mensen of dieren die dicht bij elkaar zijnEr is een schaar mensen voor de winkel.
scharen
Werkwoordbij elkaar brengen
- zich in een rij of groep opstellen achter iemand of ietsDe fans schaarden zich achter hun favoriete zanger.
- zich aansluiten bij een mening of standpuntDe leerlingen scharen zich achter het idee van een schoolfeest.
deschaar
Zelfstandig naamwoordgroep krabben of vogels
- gereedschap met twee scherpe bladen om iets door te knippenDe schaar ligt op tafel.
- situatie waarin er te weinig van iets is, waardoor mensen moeten concurrerenEr is een schaar aan goede banen in deze regio.
scharen
Werkwoordzich aansluiten bij groep
- met een schaar iets in stukken knippenIk schaar het papier in kleine stukjes.
- zich in een groep of formatie verzamelen rond iets of iemandDe kinderen scharen zich om de juf.
scharen
Werkwoordin formatie plaatsen
- vee of schapen op een gemeenschappelijke weide laten grazenDe boer schaart zijn koeien in de wei.
- (juridisch) iedereen zijn rechtmatig deel toewijzenDe rechter schaart de bezittingen van het bedrijf.
deschaar
Zelfstandig naamwoordonderdeel van machine
- gereedschap met twee scherpe bladen om mee te knippenDe schaar ligt op tafel.
scharen
Werkwoordomringen of omsingelen
- eieren leggen in het water, gezegd van vissen of amfibieënDe zalm schaart in het heldere water van de beek.