Bijvoeglijk naamwoord
Attributieve vormen
Als je zegt 'de staagse puzzel', gebruik je 'staagse' vóór het zelfstandig naamwoord.
- Met bepaald lidwoord
- de staagse
- "Dit is de staagse puzzel."
- Met onbepaald lidwoord
- een staag
- "Ik heb een staag boek gelezen."
- Zonder lidwoord
- staag
- "Staag is een mooi woord."
Predicatieve vorm
Na 'zijn' gebruik je altijd 'staag': De puzzel is staag.
Vergrotende trap
Voor de vergrotende trap zeg je 'stager' en dit gebruik je om te vergelijken: Deze puzzel is stager dan die.
- Grondvorm
- stager
- "Deze puzzel is stager dan die."
- Met "dan"
- stager
- "Die puzzel is stager."
Overtreffende trap
Bij de overtreffende trap gebruik je 'staagste': Dit is de staagste puzzel van alle.
- Attributief
- de staagste
- "Dit is de staagste puzzel van allemaal."
- Predicatief
- staagste
- "Deze puzzel is de staagste."
Belangrijke opmerkingen
- usage:Het woord 'staag' beschrijft iets dat langzaam of traag is.
- spelling:Let op de spelling: het woord eindigt op 'g', dus de vormen zijn 'staag', 'staags', etc.
- irregular:De vergrotende trap is 'stager', wat minder gehoorzaam betekent.
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.