Stotteren
Hulpwerkwoord
hebben
onovergankelijk werkwoord
Het werkwoord 'stotteren' beschrijft een spraakgebrek waarbij iemand herhaaldelijk hapert of letters herhaalt tijdens het spreken. Het kan ook figuurlijk gebruikt worden om aarzeling of onzekerheid uit te drukken.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik stotter altijd als ik voor een grote groep moet spreken.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij heeft zijn hele leven al gestotterd, maar hij laat het hem niet tegenhouden.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Stotter niet zo, neem even de tijd om rustig te praten.
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Als hij minder zou stotteren, zou hij misschien meer zelfvertrouwen hebben.
onvoltooid verleden toekomende tijd, aantonende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.