NEDERLANDS
🇳🇱

Tegenspreken

WerkwoordA2

Hulpwerkwoord

hebben

onregelmatig werkwoord, scheidbaar werkwoord (in sommige vormen)

Het werkwoord 'tegenspreken' betekent het uiten van een mening of feit dat ingaat tegen iets wat eerder is gezegd of beweerd. Het kan zowel formeel als informeel gebruikt worden, afhankelijk van de context.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we

  • jullie

  • zij / ze

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

Gebiedende wijs

Voorbeelden

  • Ik spreek je niet tegen, maar ik ben het er niet mee eens.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Zij sprak de beschuldiging fel tegen tijdens de rechtszaak.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Het is belangrijk dat je de feiten niet zomaar tegenspreekt zonder bewijs.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

  • Spreek de onwaarheden tegen voordat ze verspreid worden!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • De getuigen hebben elkaar tijdens het proces tegengesproken.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.