Tennissen
Hulpwerkwoord
hebben
regelmatig werkwoord
Dit werkwoord wordt voornamelijk gebruikt om de sport tennis te beschrijven.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
jullie
Voorbeelden
Ik tennis elke zaterdagochtend met mijn vader.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Zij heeft vorig jaar veel getennist en is nu veel beter.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Als je meer zou tennissen, zou je conditie verbeteren.
onvoltooid verleden toekomende tijd, aantonende wijs
Tennis jij vaak in de zomer?
tegenwoordige tijd, vragende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.