Terugrijden
Hulpwerkwoord
hebben of zijn (afhankelijk van de context: 'hebben' voor de handeling, 'zijn' voor de verplaatsing)
onregelmatig (sterk werkwoord), scheidbaar samengesteld werkwoord
Het werkwoord 'terugrijden' benadrukt de handeling van het rijden in de richting van het startpunt of een eerdere locatie. Het kan zowel letterlijk (fysieke verplaatsing) als figuurlijk (bijv. terugkeren naar een eerdere situatie) gebruikt worden.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik rijd elke dag terug naar huis na mijn werk.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Gisteren ben ik met de trein teruggereden omdat mijn auto kapot was.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Als je nu vertrekt, rijd je terug in het donker.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Rijd voorzichtig terug!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Het is beter dat je terugrijdt voordat het gaat regenen.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.