NEDERLANDS
🇳🇱

Thuiskomen

WerkwoordA1

Hulpwerkwoord

zijn

onregelmatig werkwoord, scheidbaar samengesteld werkwoord

Het werkwoord 'thuiskomen' benadrukt het arriveren op de plek waar iemand woont of zich thuis voelt. Het kan zowel letterlijk als figuurlijk gebruikt worden.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik

  • jij / je

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

  • ik

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Voorbeelden

  • Ik kom elke dag om vijf uur thuis van mijn werk.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Gisteren kwam hij laat thuis omdat de trein vertraging had.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Ben je al thuisgekomen?

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Kom thuis voordat het gaat regenen!

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • Het thuiskomende kind zwaaide naar zijn moeder.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.