NEDERLANDS
🇳🇱

Tram

deZelfstandig naamwoordA1

Enkelvoudsvormen

'Tram' wordt meestal gebruikt om één voertuig aan te duiden dat op rails rijdt in de stad.

Bepaald (de/het)
Onbepaald (een)
Zonder lidwoord

Meervoudsvormen

'Trams' wordt gebruikt als er meer dan één tram is, bijvoorbeeld: 'Er rijden veel trams in deze stad.'

Bepaald (de)
Zonder lidwoord

Verkleinwoord

Het diminutief 'trammetje' wordt vaak gebruikt om iets schattig of klein aan te duiden, zoals speelgoed of in een informele context.

informeel

Veelgebruikte samenstellingen

  • tramhalte

    Plek waar de tram stopt om passagiers te laten in- en uitstappen.

  • tramlijn

    De route die een tram volgt.

  • trambestuurder

    De persoon die de tram bestuurt.

  • tramkaartje

    Een kaartje om met de tram te mogen reizen.

Veelgebruikte woordcombinaties

  • nemen

    Het werkwoord 'nemen' wordt vaak gebruikt om aan te geven dat je met de tram reist.

  • missen

    'Missen' wordt gebruikt als je de tram niet op tijd haalt.

  • instappen

    'Instappen' betekent dat je de tram binnen gaat.

  • uitstappen

    'Uitstappen' betekent dat je de tram verlaat.

Belangrijke opmerkingen

  • usage:In Nederland en België is 'tram' een veelgebruikt woord voor stedelijk openbaar vervoer. Het wordt vaak genoemd in combinatie met lijnnummers, zoals 'tram 4' of 'lijn 9'.
  • countability:'Tram' is een telbaar zelfstandig naamwoord. Je kunt dus zeggen 'één tram', 'twee trams', enzovoort.

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.