🇳🇱

Treinen

Hulpwerkwoord

hebben

onovergankelijk werkwoord (informeel taalgebruik, betekent 'met de trein reizen')

Het werkwoord 'treinen' is informeel en wordt voornamelijk in spreektaal gebruikt. In formele contexten wordt meestal 'met de trein reizen' gezegd.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Voorbeelden

  • Ik **trein** liever dan dat ik vlieg, omdat het beter is voor het milieu.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Heb je gisteren nog **getreind**?

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Als ik **treine**, lees ik altijd een boek.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

  • **Trein** jij morgen naar de vergadering?

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.