Turnen
Hulpwerkwoord
hebben
regelmatig werkwoord
Het werkwoord 'turnen' verwijst specifiek naar gymnastische oefeningen of bewegingen, vaak in een sportieve of competitieve context.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik turn elke week in de sportschool om fit te blijven.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Toen ik klein was, turnde ik op school.
verleden tijd, aantonende wijs
Zij heeft gisteren voor het eerst geturnd op de ringen.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Turn jij ook mee in de wedstrijd?
tegenwoordige tijd, vragende wijs
Hoewel hij turne, is hij nog niet klaar voor de competitie.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.