Uitgaan
Hulpwerkwoord
zijn
onregelmatig werkwoord, scheidbaar werkwoord
'Uitgaan' betekent meestal 'naar buiten gaan om plezier te hebben', zoals naar een café, club of feestje gaan. Het kan ook simpelweg 'naar buiten gaan' betekenen, maar dat is minder gebruikelijk.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
ik
jij / je
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik ga vanavond uit met mijn vrienden naar een nieuwe club.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Gisteren zijn we uitgegaan en hebben we tot laat gedanst.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Als je uitgaat, vergeet dan niet je telefoon op te laden.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Ga je dit weekend uit of blijf je thuis?
tegenwoordige tijd, vragende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.