NEDERLANDS
🇳🇱
  • Uitgestrekt
    Bijvoeglijk naamwoordgroot en wijd languit uitgespreid

Uitgestrekt

  • uitgestrekt

    Bijvoeglijk naamwoord

    groot en wijd; languit uitgespreid

    1. groot/wijd

      Zeer groot of wijd, meestal over een lang oppervlak of gebied uitgespreid.

      Het uitgestrekte polderlandschap was nauwelijks onderbroken door bomen.

    2. languit/gestrekt liggen

      Languit of in lengte uitgespreid liggen of staan, met het lichaam of de ledematen gestrekt.

      Na de wandeling lag ze uitgestrekt op het gras om uit te rusten.

    uitgestrekt gebieduitgestrekte vlaktesuitgestrekte kustlijnuitgestrekte landerijenuitgestrekte armen

Blijf leren