Uittrekken
Hulpwerkwoord
hebben
scheidbaar werkwoord, onregelmatig in verleden tijd en voltooid deelwoord
Het werkwoord 'uittrekken' kan zowel letterlijk (kledingstukken uittrekken) als figuurlijk (bijv. troepen uittrekken) gebruikt worden.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
ik
jij / je
hij, zij / ze, het
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Voorbeelden
Ik trek mijn sokken uit omdat ze nat zijn.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij trok zijn trui uit toen hij binnenkwam.
verleden tijd, aantonende wijs
Trek je schoenen uit voordat je op het tapijt stapt!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
We hebben onze jassen uitgetrokken omdat het zo warm was.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Het is belangrijk dat je je handschoenen uittrekke voordat je gaat eten.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.