Uitstippelen
Hulpwerkwoord
hebben
Scheidbaar werkwoord, regelmatig (met uitzondering van de verleden tijd, die zowel scheidbaar als onscheidbaar kan voorkomen).
Het werkwoord 'uitstippelen' betekent het zorgvuldig plannen of vastleggen van stappen, routes of strategieën. Het wordt vaak gebruikt in contexten waarin structuur en voorbereiding belangrijk zijn.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je
u
jullie
Voorbeelden
Ik stippel elke week een nieuwe wandelroute uit.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Wij hebben samen een plan voor het project uitgestippeld.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Stippel jij de route voor onze fietstocht uit?
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Als zij de stappen uitstippelen, zal het zeker lukken.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Hij stippelde gisteren een strategie voor het bedrijf uit.
verleden tijd, aantonende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.