Verwijten
Hulpwerkwoord
hebben
overgankelijk werkwoord (iemand iets verwijten)
Het werkwoord 'verwijten' drukt vaak een negatieve beoordeling of kritiek uit. Het wordt gebruikt om iemand de schuld te geven van iets.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik verwijt je niets, maar ik had wel meer steun verwacht.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij verweet zijn zus dat ze zijn geheim had verklapt.
verleden tijd, aantonende wijs
Zij heeft hem verweten dat hij te egoïstisch is.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Verwijt jezelf niet te veel; het was niet jouw schuld.
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Het is belangrijk dat je niemand iets verwijte zonder bewijs.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.