Verwilderen
Hulpwerkwoord
hebben
onovergankelijk werkwoord (geen lijdend voorwerp)
Het werkwoord 'verwilderen' beschrijft vaak een proces van verwaarlozing of het natuurlijk wild worden van planten, dieren of terreinen.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u, wij / we, jullie
hij, zij / ze, het
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
De planten in de tuin verwilderen als je ze niet snoeit.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Het park is verwilderd sinds de gemeente minder geld heeft.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Als je de tuin laat verwilderen, wordt het een rommeltje.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Ik hoop dat de boel niet verwildert tijdens onze afwezigheid.
tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.