Infinitief Ik wil leren vliegen met een vlieger.
Tegenwoordig deelwoord De vogels zijn vliegend naar het zuiden gegaan.
Het vliegende vliegtuig maakte veel lawaai.
Voltooid deelwoord We hebben al vier uur gevlogen naar Madrid.
Tegenwoordige tijd ik
Ik vlieg elke dinsdag naar Amsterdam.
jij / je
Jij vliegt vaak naar het buitenland.
u
U vliegt morgen naar Londen.
hij
Hij vliegt met de nieuwe luchtvaartmaatschappij.
zij / ze
Zij vliegt naar Parijs voor het weekend.
het
Het vliegtuig vliegt laag over de stad.
wij / we
Wij vliegen samen met onze vrienden.
jullie
Jullie vliegen dit jaar naar Italië.
Verleden tijd wij / we
Wij vlogen tijdens de zomervakantie naar Spanje.
jij / je
Jij vloog vorig jaar voor het eerst.
hij
Hij vloog in een klein vliegtuig.
zij / ze
Zij vloog met een rechtstreekse vlucht naar New York.
het
Het vliegtuig vloog eerder dan gepland.
u
U vloog met een chartervlucht.
Aanvoegende wijs Ik hoop dat jij vliege naar een mooie plek.
Gebiedende wijs Vliegt u voorzichtig.
Vlieg niet te hoog!
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.