Wassen
WerkwoordA1
Hulpwerkwoord
hebben
hebben; refl,trans
Kan zowel transitief ('iets wassen') als reflexief ('zich wassen') worden gebruikt. Het voltooid deelwoord is onregelmatig ('gewassen').
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
jij / je
u
hij
zij / ze
het
wij / we
jullie
zij / ze
Verleden tijd
ik
jij / je
u
hij
zij / ze
het
wij / we
jullie
zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Gebiedende wijs
Aanvoegende wijs
Voorbeelden
Ik was elke ochtend mijn gezicht met koud water.
tegenwoordig, indicatief
Gisteren wasten we samen de auto in de tuin.
verleden, indicatief
Heb je je haar al gewassen vandaag?
voltooid tegenwoordig, indicatief
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.