Winkelend
dewinkel
Zelfstandig naamwoordeen plaats om te kopen
- plek waar je spullen of eten kunt kopenDe winkel op de hoek sluit om zes uur.
- winkel die één bepaald soort producten verkooptEr opent volgende maand een nieuwe boekenwinkel in onze straat.
- verkleinwoord voor een kleine, vaak gezellige winkelDat winkeltje bij de kerk verkoopt alleen zelfgemaakte kaas.
winkelen
Werkwoordde actie van kopen
- dingen kopen in winkels, vaak als vrijetijdsactiviteitWe winkelen zaterdag samen in Rotterdam.
- door winkels lopen om rond te kijken, zonder direct iets te kopenZullen we vanmiddag een beetje gaan winkelen?
- op het internet producten kopenTegenwoordig winkelen de meeste mensen 's avonds online.