Zakken
Hulpwerkwoord
hebben of zijn (afhankelijk van de context: 'hebben' voor falen, 'zijn' voor fysiek zakken)
onovergankelijk (kan zowel letterlijk als figuurlijk gebruikt worden)
'Zakken' kan zowel letterlijk (fysiek dalen) als figuurlijk (falen) gebruikt worden. In de context van examens betekent het 'falen'.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
Ik zak altijd voor wiskunde-examens.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Hij is gisteren door het ijs gezakt.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Zak niet door je knieën tijdens het squatten!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
Als hij niet studeert, zal hij zakken.
toekomende tijd, aantonende wijs
De boot was aan het zakken toen de hulp arriveerde.
verleden tijd (duurvorm), aantonende wijs
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.