🇳🇱

Zwemmen

Hulpwerkwoord

hebben

hebben/zijn; intrans

'Zwemmen' neemt meestal 'hebben' als het om de activiteit gaat ('Ik heb lekker gezwommen'). Als er een duidelijke bestemming of richting wordt genoemd, kies je 'zijn' ('Ik ben naar de overkant gezwommen'). Het is een sterk werkwoord: let op de klinkerwisseling e - o - o (zwemmen - zwom - gezwommen).

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Gebiedende wijs

Aanvoegende wijs

Voorbeelden

  • Ik zwem elke week in het binnenzwembad.

    tegenwoordige tijd, indicatief

  • Gisteren zwommen we in een koud bergmeer.

    verleden tijd, indicatief

  • We hebben de hele middag in de zee gezwommen.

    voltooide tijd, indicatief

  • Hij is moeiteloos naar de overkant gezwommen.

    voltooide tijd, indicatief

  • Zwem niet zo ver uit de kust!

    gebiedende wijs, imperatief

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.