Zwemmen
Hulpwerkwoord
hebben
hebben/zijn; intrans
'Zwemmen' neemt meestal 'hebben' als het om de activiteit gaat ('Ik heb lekker gezwommen'). Als er een duidelijke bestemming of richting wordt genoemd, kies je 'zijn' ('Ik ben naar de overkant gezwommen'). Het is een sterk werkwoord: let op de klinkerwisseling e - o - o (zwemmen - zwom - gezwommen).
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Gebiedende wijs
Aanvoegende wijs
Voorbeelden
Ik zwem elke week in het binnenzwembad.
tegenwoordige tijd, indicatief
Gisteren zwommen we in een koud bergmeer.
verleden tijd, indicatief
We hebben de hele middag in de zee gezwommen.
voltooide tijd, indicatief
Hij is moeiteloos naar de overkant gezwommen.
voltooide tijd, indicatief
Zwem niet zo ver uit de kust!
gebiedende wijs, imperatief
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.