NEDERLANDS
🇬🇧

Woordenlijst

The most common Dutch words, ranked by how often they appear in everyday language. Based on the SUBTLEX-NL corpus — 44 million words of Dutch film and television subtitles.

301–350 of 3051 words

Common words
301uitzonderlijkadj. — heel bijzonder
302paln. — stok of paal
304nieuwelingn. — iemand die nieuw is
305fictien. — verzonnen verhaal
307lensv. — water wegpompen
308oftewelconj. — met andere woorden
310brakenn. — plaats waar iets is gebeurd
312bijstaanv. — iemand helpen
313oorsprongn. — begin of iets
315binnensteadj. — meest naar binnen
316omschrijvenv. — anders zeggen
318manuscriptn. — handgeschreven tekst
319immuunadj. — niet vatbaar voor ziekte
320onaangenaamadj. — niet prettig
321opstelv. — iets in elkaar zetten
322pauzerenv. — korte rust nemen
323mayonaisen. — dikke koude saus van eieren en
324marcherenv. — stappen in ritme
325hogeropadv. — naar boven toe
326lofn. — oude lofzang
327djv. — muziek mixen
328uitverkoopv. — iets kopen goedkoop
329opkomstn. — aantal aanwezigen stemmen
330oordn. — bepaalde plaats of plek
331transactien. — uitwisseling van geld of goederen
333verbeteringn. — verandering of correctie waardoor iets beter
334klarenv. — opklaren of verbeteren
335terugsturenv. — iets terugzenden
336bijgeloofn. — geloof in magie
337postern. — persoon
338sensatien. — sterk gevoel opwinding
340bijdragenv. — iets geven of helpen
342stadiumn. — sport competitie fase
343claimv. — iets opeisen of beweren
344hendeln. — greep om te bedienen
345inleverenv. — iets afgeven
346onredelijkadj. — niet logisch denkend
347doorsneen. — het gemiddelde dwarsdoorsnede
348overledenen. — dode persoon
349omeletn. — gebakken eierschotel
350ontvangern. — persoon die iets krijgt