NEDERLANDS
🇩🇪

Woordenlijst

Die häufigsten niederländischen Wörter, sortiert nach ihrem Vorkommen in der Alltagssprache. Basierend auf dem SUBTLEX-NL-Korpus — 44 Millionen Wörter aus niederländischen Film- und Fernsehuntertiteln.

2001–2050 von 89581 Wörtern

Top 5.000 — umfassender Wortschatz
2001groenA1adj.green
2002mogev.to be allowed
2003vermoorddev.iemand doden
2004stationA1n.plek voor treinen
2005robert
2006pillen
2007gaanden.fysieke toestand
2008huizenv.verhuizen of wonen
2009wassenA1v.to wash
2010scheeltn.oogafwijking
2011brievenv.uji vertellen in mail
2012herkenv.iemand iets weer zien
2013gescheidenv.trennen in stukken
2014stenenA2v.werkwoord vormen steen
2015leefdev.in leven zijn
2016jeugdA2n.periode van jong zijn
2017omgevingA2n.nabijheid van iets
2018sigaretA2n.rolletje tabak
2019schrijverA2n.maker van boeken
2020cliëntB2n.persoon die dienst ontvangt
2021elfA2num.getal na tien
2022tegelijkA2adv.op hetzelfde moment
2024managerA2n.leider van een team
2026geheugenB2n.informatiesysteem in hoofd
2029opgepaktv.iets optillen
2030ophangenA2v.iets aan iets hangen
2031kistA2n.houten bak voor spullen
2032artikelB1n.krant of tijdschrift
2033behandelenA2v.verzorgen of bespreken
2034bevelenA2n.aanwijzing of voorschrift
2036officieelA2adj.erkend door de autoriteit
2037kasteelA2n.groot versterkt gebouw
2038voorbeeldA1n.voorbeeld van iets
2039stront
2040kerstmanB1
2041dwarsA2v.doen of maken
2042ontdekkenA2v.vinden of zien
2043waardeerv.waarde geven aan
2044spiegelA2n.glas om jezelf in te zien
2045waarschuwenA2v.voor gevaar laten weten
2046prettigA2adj.aangenaam en fijn
2047jochie
2048tellenA2n.persoon of telfunctie