Woordenlijst

Die häufigsten niederländischen Wörter, sortiert nach ihrem Vorkommen in der Alltagssprache. Basierend auf dem SUBTLEX-NL-Korpus — 44 Millionen Wörter aus niederländischen Film- und Fernsehuntertiteln.

201–250 von 89581 Wörtern

Top 500 — wichtige Alltagswörter
201naB1v.dichterbij komen
202graagA1adj.met plezier
203toeA1interj.uitroep of toevoeging
204helpenA1v.aan iemand assistentie bieden
205zegtn.gistel plant
206elkaarA1pron.wederzijds onderwerp
207zietv.iets waarnemen
208blijfn.de staat van zijn
209natuurlijkA1adj.zoals in natuur
210godA2n.een specifieke god
211klaarA1v.opklaren of verbeteren
212bedoelv.iets willen zeggen
213halloA1interj.groet of begroeting
214sorryinterj.verontschuldiging of excuus
215helemaalA1adv.volledig of totaal
216maaktv.iets creëren of doen
217gekA1v.meervoud van gek
218alleB1vraagteken of symbool
219luisterv.aandacht geven aan geluid
220drieA1n.cijfer drie
221geweestn.essentie zijn
222meneerA1v.beleefd aanspreken
223werdv.verandering in toestand
224blijvenA1n.de staat van zijn
225zonderB2conj.maar niet
226hoorn.an ear
227dingenv.meervoud van ding
228gingn.fysieke toestand
229houdenA1n.een liefde of band
230alsjeblieftA1interj.als je blieft
231krijgenA1v.ontvangen of verkrijgen
232kijkenA1v.zien met ogen
233vriendA1n.persoon met genegenheid
234groten.grote persoon
235ideeA1n.concept of iets
236kwamv.bewegen naar plaats
237bangA1interj.uitroep van schrik
238steedsA2adj.in toenemende mate
239gevenA1v.iets aanbieden
240kinderenn.jong persoon
241achterB1prep.voorzetsel locatie
242eersteB1n.begin van iets
243naamA1n.benaming voor iets
244zo'nA1pron.uitroepend voornaamwoord
245vertellenA1v.verhaal delen
246goeden.bezit of voorwerp
247ooitA2adv.op enig moment
248moestn.moetige persoon
249snelA1n.tijd of snelheid
250onderA1adv.lager dan iets