Woordenlijst

Die häufigsten niederländischen Wörter, sortiert nach ihrem Vorkommen in der Alltagssprache. Basierend auf dem SUBTLEX-NL-Korpus — 44 Millionen Wörter aus niederländischen Film- und Fernsehuntertiteln.

3501–3550 von 89581 Wörtern

Top 5.000 — umfassender Wortschatz
3501wondenv.verwonden maken
3502kletsenA2v.verbaal uitdrukken
3503eB1
3505regisseurB1
3506opwindendA2v.veroorzaken van spanning
3507diepev.dieper maken
3509metroA1n.trein in de grote stad
3510brachtenv.iets overdragen aan iemand
3512zoneA2
3515opzettenA2
3516starenA2n.achterste deel van iets
3517treffenA2v.bereiken of opzoeken
3519nagels
3520eigendomB1
3521weigertv.niet toestaan of accepteren
3522voorbereidenA2v.van tevoren klaarmaken
3525nachtmerriesn.angstige droom
3526doorgevenB1
3527uitgeputv.vermoeid maken
3528toestaanA2adj.toelaatbaar of goedgekeurd
3530maatschappijA2n.samenleving structuur
3531leerlingA1n.schoolstudent of pupil
3532gekkenv.meervoud van gek
3533doorgaatv.verder gaan
3535prijzenA2v.waarderen of aanbevelen
3536reclameA2
3537ruimenA2v.vrijmaken of schoonmaken
3539juniA1n.zesde maand van het jaar
3540geplaatstv.meervoud van plaats
3541fruitA1v.fruitwereld of fruitteelt
3542aangebodenv.iets geven of aanbieden
3544verklaarv.officieel zeggen
3545gebakkenv.gebakken voedsel
3546dieperv.dieper maken
3547zowatB1
3548ontkennenA2
3549minuutjen.tijdseenheid van 60 seconden
3550troostB2