(over een kind op de basisschool)
De jongen speelt buiten met zijn vrienden.
Een jongen moet altijd eerlijk tegen zijn ouders zijn.
De jongen van de buren fietst elke dag naar school.
De jongen zit in groep vier.
De jongen heeft zijn tas op school laten liggen.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(over iemand op de middelbare school)
De jongen is net klaar met zijn middelbare school.
In de puberteit verandert de jongen snel.
Die jongen uit mijn klas zit nu in 4 vwo.
De jongen werd gisteren zestien.
(in spreektaal tussen vrienden of over een jonge man)
Die jongen daar is echt een goede voetballer.
Wat een slimme jongen is hij toch!
Onze nieuwe collega is een aardige jongen.
Een vriendelijke jongen hielp me met mijn koffers.
(wanneer iemand liefkozend over een klein kind praat)
Kijk eens naar dat jongetje, wat een schattig smile heeft hij!
Het jongetje danst vrolijk in de woonkamer.
Het jongetje van drie zwaaide naar zijn opa.
Het jongetje viel in slaap op de bank.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.