Ik wil graag stenen verzamelen tijdens mijn wandeling.
De stenen klinken netjes terwijl de kinderen spelend rondrennen.
Het stenende geluid is te horen vanuit de bouwplaats.
ik
Ik steen een mooie verzameling bij elkaar.
jij / je, u
Jij steent een ander soort en dat maakt het bijzonder.
wij / we, jullie
Wij stenen vaak in de tuin met verschillende kleuren.
Ik steende in de oude stenen van het kasteel.
Jij steende met veel enthousiasme tijdens de activiteit.
hij, zij / ze, het
Hij steende het pad met mooie stenen.
Wij steenden langs de rivier tijdens onze reis.
De tuin is prachtig, de stenen zijn goed gesteend.
Moge elke stenen verbinding ons dichter bij elkaar brengen.
Steen wat dichterbij de muur.
Steent met liefde en zorgvuldigheid.