Ik wil gaan wanten in de tuin.
De wantende kinderen spelen buiten.
De wantende volwassenen kijken naar de wedstrijd.
Wij hebben altijd gewant met onze vrienden.
De wantend persoon volgt de instructies goed.
ik
Gisteren wantte ik met mijn hond.
jij / je
Jij wantte heel hard tijdens de competitie.
hij
Hij wantte om de prijs te winnen.
wij / we
Wij wantten samen tijdens het feest.
jullie
Jullie wantten heel enthousiast.
zij / ze
Zij wantten in de zon op het strand.
Wil je willen wanten?
Als ik maar wante kon hebben, zou ik gelukkig zijn.