(boodschappen of aankopen doen)
Ik ga naar de winkel om boodschappen te doen.
De winkel is vandaag gesloten vanwege verbouwing.
De winkel op de hoek sluit om zes uur.
Toen ik binnenkwam, was de winkel al vol klanten.
Mijn oom heeft die winkel al twintig jaar.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(een gespecialiseerde zaak)
Ze heeft net een nieuwe kledingwinkel geopend in de stad.
De speelgoedwinkel heeft een groot assortiment.
Er opent volgende maand een nieuwe boekenwinkel in onze straat.
Bij de bakkerswinkel op het plein haal ik elke zaterdag verse broodjes.
(een klein en charmant verkooppunt)
Het winkeltje heeft leuke handgemaakte producten.
In het dorpje is er een schattig winkeltje met souvenirs.
Dat winkeltje bij de kerk verkoopt alleen zelfgemaakte kaas.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.