Enkelvoudsvormen
Fiets is een zelfstandig naamwoord dat je gebruikt voor een vervoermiddel met twee wielen. Het is een de-woord.
- Bepaald (de/het)
- de fiets
- "De fiets is groen."
- Onbepaald (een)
- een fiets
- "Ik heb een fiets."
- Zonder lidwoord
- fiets
- "Fiets is leuk."
Meervoudsvormen
De meervoud van fiets is fietsen. Het wordt gebruikt om meer dan één fiets aan te duiden.
- Bepaald (de)
- de fietsen
- "De fietsen staan buiten."
- Zonder lidwoord
- een paar fietsen
- "Er staan een paar fietsen in het park."
Verkleinwoord
De diminutief 'fietsje' toont schattigheid of kan verwijzen naar een kinderfiets.
informal
Veelgebruikte samenstellingen
fietsbel
"Zorg dat je fietsbel werkt."
bell for a bicycle
fietsride
"We gaan morgen op een fietsride."
bike ride
Veelgebruikte woordcombinaties
op de fiets
"Ik ga op de fiets naar school."
Dit betekent dat je met de fiets ergens naartoe gaat.
met de fiets
"Met de fiets is het sneller."
Gebruik deze uitdrukking om aan te geven dat je iets met de fiets doet.
Belangrijke opmerkingen
- countability:Fiets is een telbaar zelfstandig naamwoord.
- register:Informele en neutrale registers; 'fiets' wordt in gesproken en geschreven Nederlands veel gebruikt.
- usage:Het woord 'fiets' komt vaak voor in uitdrukkingen en samenstellingen, zoals 'fietsenmaker', wat een persoon betekent die fietsen repareert.
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.