NEDERLANDS
🇳🇱

Hulpwerkwoord

hebben

regelmatig werkwoord

'Lenen' kan zowel 'lenen van' (borrow) als 'uitlenen aan' (lend) betekenen, afhankelijk van de context. Let op het voorzetsel om de betekenis te verduidelijken.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Voorbeelden

  • Kun je me je pen lenen? (Can you lend me your pen?)

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Ik heb geld van de bank geleend. (I borrowed money from the bank.)

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Als ik rijk was, zou ik nooit geld lenen. (If I were rich, I would never borrow money.)

    onvoltooid verleden toekomende tijd, voorwaardelijke wijs

Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.