Tronen
Hulpwerkwoord
hebben
onovergankelijk werkwoord, vaak figuurlijk gebruikt
Het werkwoord 'tronen' wordt vaak figuurlijk gebruikt om aan te geven dat iemand een dominante of centrale positie inneemt, niet alleen letterlijk op een troon zitten.
Infinitief
Tegenwoordige tijd
ik
jij / je
u
hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Verleden tijd
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het
wij / we, jullie, zij / ze
Voltooid deelwoord
Tegenwoordig deelwoord
Aanvoegende wijs
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze
Gebiedende wijs
jij / je, u, jullie
Voorbeelden
De koning troont elk jaar tijdens Prinsjesdag.
tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Vroeger troonde de koningin altijd op deze plek.
verleden tijd, aantonende wijs
Hij heeft jarenlang getroond als directeur van het bedrijf.
voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs
Troon maar lekker op de bank, ik ruim wel op!
tegenwoordige tijd, gebiedende wijs
De tronende koning keek uit over zijn rijk.
tegenwoordige tijd, onvoltooid deelwoord
Ik heb dit woordenboek gebouwd als de meest complete Nederlandse leermiddel in zijn soort. Definities en voorbeelden zijn gegenereerd, dus je kunt af en toe een foutje tegenkomen — vertrouw op je gevoel.